In eerdere blogs die ik geschreven heb is het vaak gegaan over hoe mindfulness kan bijdragen aan mentale fitheid. Een ander mogelijk resultaat van consequente beoefening is een toename in creativiteit (Ren et al.,2011; Greenberg et al., 2012; Ostafin and Kassman, 2012). Hoe dit precies werkt zet ik uiteen in deze blog.

 

Hoe conditionering bijdraagt aan rigide denkkaders

We kennen allemaal het experiment van Pavlov (1927) waarin hij aantoont dat honden vrij snel relaties leren leggen tussen verschillende ervaringen en gedragingen zoals dat een hond al begint te kwijlen bij het horen van een belletje omdat hij geleerd heeft dat daarna voedsel volgt. Bij ons mensen werkt het niet heel anders. Door de jaren heen raken we als mens door allerlei ervaringen (en de gevolgen daarvan) steeds sterker geconditioneerd. Ons brein werkt zo dat wanneer het nieuwe ervaringen opdoet de ervaring in het brein wordt weggezet als ‘bekend’ zodat er de volgende keer minder aandacht naar die desbetreffende ervaring hoeft te gaan. Je hebt geleerd wat het is of hoe het werkt. We doen vervolgens steeds meer activiteiten op de automatische piloot. We hebben bestaande kaders en patronen gecreëerd van waaruit we automatisch gaan handelen. Dit heeft overigens ook invloed op onze tijdbeleving maar dat is misschien iets voor een volgend blog.

Het aanleren van dit soort patronen heeft een praktisch nut. We hoeven immers niet elke keer dat we een taak uitvoeren helemaal opnieuw te onderzoeken hoe we het precies moeten doen. Stel je eens voor dat je elke keer dat je in de auto stapt opnieuw moet leren schakelen. Daarnaast is het één van de primaire doelstellingen van onze geest om onze overleving veilig te stellen. Wanneer een ervaring gelabeld is als ‘bekend’ dan is de kust veilig en is het aandachtsveld vrij om nieuwe ervaringen, die potentieel bedreigend zouden kunnen zijn, op te merken.

In de psychologie wordt in het kader van patronen ook wel gesproken over gestalts. De gestaltpsychologie, een school die in de jaren ’30 is ontstaan in Duitsland door werk van onder anderen Kurt Koffka (1935), gaat ervan uit dat wij als mensen de wereld waarnemen in gehelen en patronen.

Om dit gelijk tastbaar te maken: wat zie je in onderstaand plaatje?

Kanizsa-driehoek (1955)

 

Als het goed is zie je een witte driehoek in het midden. Die driehoek is er niet écht, maar je brein vult de lege velden in om er een geheel van te maken: een gestalt. Dit is een mooi voorbeeld van een optische illusie die ontstaat vanuit een aangeleerd patroon in je brein.

Hetzelfde mechanisme geldt voor je denkpatronen. Naarmate we in ons leven bepaalde denkpatronen herhaaldelijk volgen en daarin positief bekrachtigd worden (of ooit zijn) dan zullen deze denkpatronen in ons brein verstevigen. We leren op die manier steeds meer convergent te denken (Guilford, 1956).

 

Convergent vs. divergent denken

Psycholoog J.P. Guilford definieerde de termen convergent en divergent voor het eerst in 1956:

Convergent denken volgt een set aan logische stappen om tot een oplossing te komen. Divergent denken wordt gebruikt om nieuwe ideeën te genereren en gebeurt vaak spontaan, niet-lineair en free-flowing.

Bij divergent denken lijken er nieuwe ideeën te komen uit het onbewuste. Ze lijken niet voort te bouwen op eerder geleerde ideeën. Voor creativiteit is het dus nodig om divergent te leren denken.

De koppeling met gestalt is snel gemaakt: naarmate we als mensen rijpen worden er steeds meer patronen gevormd en wordt het steeds lastiger voor ons om divergent te denken. We denken binnen bestaande denkkaders en hebben vaak wat opschudding van buitenaf nodig om ons daaruit te ‘wekken’. We denken in termen van haalbaarheid binnen de huidige structuren en zijn niet zo goed in staat om dat te overstijgen en vrij te denken. Ik heb wel eens gehoord dat kinderen bij een probleemstelling met 100 oplossingen kwamen terwijl volwassenen er slechts 7 konden verzinnen…

 

Hoe kan mindfulness ons helpen om meer divergent te leren denken?

De beoefening van mindfulness draait in de kern om aanwezig zijn met onze ervaringen vanuit een milde en niet-reactieve houding. Dit houdt in dat we onze ervaringen (gedachten, gevoelens, emoties, fysieke sensaties en geluiden) voorbij zien komen vanuit een open, ontvankelijke houding en zonder dat we daar direct op reageren. Dit zorgt er na een tijdje oefenen (lengte waarin dit gebeurt verschilt) voor dat we automatische piloot, die opereert vanuit een doe-modus, steeds meer uitschakelen en we contact maken met een zogenoemde zijn-modus. In de zijn-modus gelden andere regels:


Brandsma (2012)

 

In de zijn-modus zijn onze gedachten minder persistent. Deelnemers van trainingen zeggen wel eens dat ze minder blijven plakken. We zijn meer aanwezig in het huidige moment en zijn minder gevangen door onze aangeleerde denkpatronen. Wanneer gedachten minder blijven plakken ontstaat er ruimte voor nieuwe invalshoeken. We stappen als het ware uit het bestaande patroon waardoor de gestalt minder rigide wordt en op termijn zelfs uiteen kan vallen.

Het afbreken van het oude, biedt ruimte voor het nieuwe. Niet vanuit iets dat vooropgezet is maar opkomend, in het Engels ook wel ‘emergent’ genoemd. Spontaan ontspringend uit een diepere bron. En zo kun je hogere orde gestalts gaan opbouwen. Want het mechanisme van patrooncreatie blijft uiteraard bestaan. Daar kunnen we als mens niet onderuit. We kunnen onszelf echter wel trainen om vaker uit de automatische piloot stappen, bestaande gestalts af te breken en van daaruit te ervaren welke nieuwe ideeën er onder de oppervlakte liggen. Telkens weer opnieuw door middel van mindfulness onze eigen patronen onder de loep nemen om telkens weer opnieuw het nieuwe te kunnen ervaren en bewust te kiezen.

En zo kan mindfulness diepgaand bijdragen aan je creatieve vermogens!


Bronnen:

Pavlov IP (1927). Translated by Anrep GV. “Conditioned Reflexes: An Investigation of the Physiological Activity of the Cerebral Cortex”. Nature. 121 (3052): 662–664

Ren, J., Huang, Z., Luo, J., Wei, G., Ying, X., Ding, Z., et al. (2011). Meditation promotes insightful problem-solving by keeping people in a mindful and alert conscious state. Sci. China Life Sci. 54, 961–965. doi: 10.1007/s11427-011-4233-3

Greenberg, J., Reiner, K., and Meiran, N. (2012). “Mind the trap”: mindfulness practice reduces cognitive rigidity. PLoS ONE 7:e36206. doi: 10.1371/ journal.pone.0036206

Ostafin, B. D., and Kassman, K. T. (2012). Stepping out of history: mindfulness improves insight problem solving. Conscious. Cogn. 21, 1031–1036. doi: 10.1016/j.concog.2012.02.014

Koffka, K. (1935). Principles of Gestalt Psychology

Kanizsa, G. (1955). “Margini quasi-percettivi in campi con stimolazione omogenea.” Rivista di Psicologia 49(1)7-30

Guilford, J. P. (1966). Intelligence: 1965 model. American Psychologist, 21(1), 20-26.

Brandsma, R. (2012). Mindfulness basisboek. Lanoo Campus